Etappe 7 – Renaat

Een onverwachte thuisblijver is Renaat Schotte. Sinds vier jaar gaat hij niet meer mee met het circus van de Tour, maar overnacht hij in een hotel op wandelafstand van de VRT-gebouwen. Ik loop verloren in de lange gangen op weg naar onze afspraak en beslis een medewerker om de weg te vragen. Die vertelt me dat het zijn tweede dag is op de VRT en dat hij zelf ook de weg kwijt geraakte. Uiteindelijk arriveren we allebei waar we moeten zijn. Renaat laat me in het commentaarhok plaatsnemen op José De Cauwers stoel, iets waar ik me zowel vereerd als ongemakkelijk bij voel. Zeker als ik vragen moet stellen bij technische woordenschat. Gelukkig deert het hem niet dat hij extra uitleg moet geven: “Het is de uitdaging voor José en mij om wielrennen te verkopen aan een heel breed publiek, op de meest toegankelijke manier.”

In 1998 ben ik beginnen rondlopen in dit gebouw, waar we eindeloos in kunnen verdwalen. Vanaf het jaar erna ging ik mee naar Ronde van Frankrijk om er interviews af te nemen. De motor is pas veel later gekomen. En dit vormt nu het vierde jaar waarbij we verslag uitbrengen vanuit de studio in Brussel.
Maar deze zomers verschillen niet zoveel van de zomers uit mijn jeugd. Er was geen denken aan dat ik tijdens de touretappes naar buiten zou gaan. Dat kwam voor een stuk door mijn vader. Hij is nog steeds zot van de koers, en was in de jaren zeventig al wielertoerist, toen dat nog niet hip en trendy was. Toen ik oud genoeg was om tot mijn koersverstand te komen, ben ik ook alles beginnen volgen.

Ik heb een hele brede sportinteresse. Ik kan van bijna elke sport genieten, en daar ook volledig in opgaan. Mijn vrouw verklaart me gek, maar dat zorgt bij mij voor een geluksgevoel. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat je door te supporteren tijdens sport ook al endorfines aanmaakt. Ik denk dat ik gezond verslaafd ben aan het geluksgevoel dat sportbeleving creëert. Nog steeds. Soms zelfs meer dan vroeger, omdat ik het beter kan plaatsen door het al zo lang te volgen.

Ik heb geen seconde getwijfeld toen de vraag kwam of ik de verslaggeving van de Tour de France wou doen vanuit Brussel. Als je zelf meegaat met de Tour, ben je zoveel onderweg. Zeker wanneer je de start en de finish covert, mis je veel. En op de motor krijg je maar een heel partieel beeld van de koers. In het commentaarhok krijg ik weer de volledige boterham, net zoals tijdens mijn jeugd. De Tour de France is effectief één groot circus, waar je soms als een clown in rondloopt. Nu heb ik het privilege dat ik de voorzet van mijn collega’s mag binnenkoppen. Dat is een geweldig voorrecht. We werken in een team van minstens zeven mensen, waaronder een regisseur, een LSM-operator, een monteur, onze assistent Hannes Tahon,… En op de stoel naast mij zit José. Ik ben dus maar een radartje in een groot net aan mensen.
Onderweg in een grote ronde onderga je een deel van de miserie van de wielrenners. Je bent constant onderweg, je leeft uit je koffer, en je bouwt een chronisch slaaptekort op. Je zal geïrriteerd geraken omdat je ergens niet door kan, je zal gefrustreerd zijn omdat je niet alle verkenningen kan doen. Maar al die miserie, die wil ik erbij pakken. Want daardoor kom ik in die cabine terecht, het liefst van al vlakbij de finish. En dan hoor ik de speakers een paar meter verderop, en gaat mijn adrenaline de hoogte in. Ik zie die streep en dat publiek, ik zit in dezelfde weersomstandigheden. Dan is het heel makkelijk om uit de bol te gaan. Er volgen natuurlijke adrenaline-shots, het ene achter het ander. Dat heb ik hier niet, en dat mis ik. Dat mis ik ongelofelijk.
Endorfine is één ding, maar adrenaline is ook een factor in deze job, en dat is er nu veel minder bij. Dat we vandaag vanuit Brussel presenteren, vormt een pijnpunt in mijn Tourervaring.

Het probleem is dat zowat elke mens die ik tegenkom mij confronteert met die beslissing. Het publiek wil ons daar. Mensen willen weten dat je in die magische, heroïsche bubbel zit.

Ons hele leven draait in deze periode van het jaar rond die onnozele Ronde van Frankrijk. Ik weet het, het is mààr sport, maar voor mij is het naast mijn privéleven het belangrijkste dat er is. In mijn jeugd had ik die twee zelfs omgedraaid. Ik mis dus het ter plekke zijn, zoiets kan ik niet faken. De gelaagdheid ontbreekt. Maar ik heb me neergelegd bij de beslissing die de bazen hebben genomen. Er zijn goede redenen voor, en ik begrijp ze. Het probleem is dat zowat elke mens die ik tegenkom mij confronteert met die beslissing. Het publiek wil ons daar. Mensen willen weten dat je in die magische, heroïsche bubbel zit. En op papier verantwoordt dat het budget niet, maar het is blijkbaar wel wat sportief Vlaanderen verlangt. En terwijl ik dit allemaal zeg, komt het haar op mijn armen opnieuw recht.

Dit jaar zijn we de eerste zes etappes gaan verkennen in het Noorden van Frankrijk. Dat konden we niet laten liggen. Het heeft ons drie dagen gekost, maar het voordeel dat we daaruit haalden was enorm. Je kruipt veel dieper in zo’n koers, in zo’n sprint, als je die laatste kilometer de dag zelf hebt verkend. Eigenlijk is dat voor mij als verslaggever, en voor mijn collega’s, een technisch noodzakelijk detail.

Naar de Tour kijkt echt iedereen: van heel jong tot heel oud. Als we te specialistisch worden, haken kijkers af. We moeten de grootste gemene deler vinden. Ik las in de regionale krant dat er in een woonzorgcentrum in groep naar de Tour wordt gekeken en ze daar supporteren voor een bepaalde wielrenner. Dat ga ik zeker eens laten vallen. Ik weet nu al dat de wereld op zijn kop gaat staan in dat woonzorgcentrum. Met een simpele vermelding kunnen we veel geluk verspreiden. Dat is ook een ongelooflijk voorrecht van deze job.

De langste integrale uitzending waar we commentaar geven, duurt zes uur en een kwartier. Wanneer je ’s ochtends binnenkomt, wil je eigenlijk niet denken aan wat je moet doen die dag. Bij andere zenders werken ze met verschillende duo’s. Maar José en ik gaan er gewoon voor.
We hebben wel wat uitwegen. Er zijn interviews, gesprekken met de radiomannen. We hebben één archieffilmpje. Meer is het niet.
Een rit in de Tour de France duurt gemiddeld vier tot vijf uur, met de uitschieter van zes uur en een kwart. In de rest van het jaar zijn we er vaak vanaf met een uur en drie kwart. Dat zijn bijna sprintjes in vergelijking met die dagelijkse marathon in de Tour. Dus je moet wel genoeg grondstof hebben om die zes uur en een kwart op een min of meer zinvolle wijze vol te krijgen. Het is onmiskenbaar slow television, maar ik denk dat dat ook de charme is. De uitzending kabbelt voort en af en toe gebeurt er iets. Het publiek wordt verwend met prachtige beelden. Eigenlijk kan je reizen vanuit je zetel. Ik denk dat het voor oude mensen, of mensen die niet meer goed te been zijn, een soort geluksmoment creëert, omdat ze een venster krijgen op de wereld. Samen dan met dat onzichtbaar endorfinegevoel dat sport kan geven.

Ik hoop mezelf als verslaggever telkens een beetje te kunnen verliezen, zoals in Siena.
Tijdens de Ronde van Italië becommentarieerde ik telkens de laatste vijf kilometer voor het magazine van Sporza. We hebben geen rechten om de Giro live uit te zenden, maar zo kan de finish achteraf wel uitgezonden worden met live commentaar. In Siena hadden ze de commentatoren een loer gedraaid. De cabines stonden niet op de Piazza del Campo waar de finish lag, maar in een straatje verderop. Ik vond dat erg voor de collega’s die daar moesten werken. Zelf kan ik tijdens de Giro alleen in openlucht commentaar geven zoals de onvergetelijke Colombiaanse radiocommentatoren vroeger in de Tour.
En dus installeerde ik me op het plein onder het tentje met een monitor in slechte lichtomstandigheden. Toen gebeurde er iets magisch. Wout van Aert reed op kop met de sterkste renner van de Giro, de gedoodverfde winnaar. Toch slaagde hij erin om in het wiel te blijven. Hij wist wat hij moest doen. Hij won een etappe die hij eigenlijk sportief niet meer had kunnen winnen. Ik denk dat dat het beste stukje commentaar is dat ik ooit geleverd heb. Dit jaar, in de Giro. Ik sta daar op dat plein en ik hoor de Italianen gek worden omdat er een Belg is die een Mexicaan gaat inhalen. Iedereen wil Van Aert zien winnen. En je komt in een zone terecht waarbij je op den duur niet meer weet wat je vertelt. Ik heb het achteraf vijf keer bekeken om te horen wat ik daar allemaal heb gezegd. Echt, dat was magisch. Ik wil elke dag Siena herbeleven. Dat gaat in deze studio niet gebeuren, maar het blijft mijn drive om verder te doen.

We hebben in de voorbije jaren al heel veel mooie edities gezien. Het mooiste zou zijn om een secondespel te krijgen tot op de laatste rit. Dat is het op dit moment niet. En ik zit natuurlijk met iemand naast mij die ooit als ploegleider de meest spannende Ronde van Frankrijk gewonnen heeft met acht seconden verschil, in 1989. Mijn ultieme droom is dat ik een Tour mag becommentariëren waar een renner wint met 7 seconden verschil. Want dan kan ik tegen José zeggen: “Je bent je record kwijt.”

Renaats analoge bron aan informatie

Op dit moment wordt de keuze gemaakt om het Tour-commentaarteam dat uit zes, zeven mensen bestaat, niet naar Frankrijk te sturen. Ik kan niet anders dan me daarbij neerleggen. Toch blijf ik hopen en dromen dat de dag komt waarop die mini-equipe terug in Frankrijk zit. Zolang ik dit doe, verkies ik het discomfort van het tjolen in de Ronde van Frankrijk boven het voordeel van drie weken in hetzelfde hotelbed te slapen, op twee kilometer van de VRT. Dat we terug de volle gelaagdheid aan de kijker kunnen aanbieden: ik denk dat de koers in Vlaanderen dat gewoon verdient.