Etappe 5 – Raymond

Iedereen verdient een Raymond in zijn of haar leven. In het midden van ons gesprek springt hij recht, neemt me mee naar de garage, en hangt zijn fiets aan de haken. Het is een mooie vintage koersfiets, waarmee hij nog steeds rondrijdt. Raymond wijst me op de tandwielen. En net wanneer ik denk dat ik ondertussen wel weet wat versnellingen zijn, begint hij op een papier formules neer te schrijven waardoor ik een compleet nieuw inzicht krijg in het tijdrijden. Zo zal het nog een paar keer gaan. De kennis die Raymond heeft lijkt enorm, maar het kost hem geen moeite om het simpel uit te leggen aan iemand die er minder van weet. Ik bedenk me dat ik eigenlijk drie weken bij hem moet blijven, om elke tourrit te bespreken. Helaas, hij vertrekt de dag erna op reis, dus voorlopig doen we het met de tijdrit van de dag.

Net toen ik passeerde, deed een van hen zijn deur open en ik vloog er knal op. Je kan de sporen van dat ongeluk nog steeds zien aan mijn fiets. Met het bloed aan mijn been ben ik boven gekomen

Net zoals bij voetbal, supporter ik voor een ploeg. Dat komt misschien omdat ik twintig jaar voetbal heb gespeeld. Toen er een zomerstop was en alles stil lag, ben ik het wielrennen beter beginnen volgen.
Ik ben fan van Quick-Step omdat Museeuw ooit bij hen zat. Daarvoor maakte hij deel uit van Mapei, een Belgisch-Italiaanse ploeg. Dat was trouwens de allereerste keer dat Belgen en Italianen samen een ploeg vormden. Mapei is een Italiaans chemiebedrijf dat voor de bouwsector produceert. Die mannen hadden verschrikkelijk veel geld en konden daardoor de beste coureurs kopen. In het jaar 1980 behaalden ze 124 overwinningen op één jaar tijd, ongelooflijk. Ondertussen was er een bedrijf in Wevelgem dat laminaat maakte en hun eigen ploeg begon: Quick-Step. Zij hebben enkele wielrenners van Mapai overgenomen een aangevuld met andere toppers. Museeuw, Tafi, en Ballerini zaten bij hen, maar ook Tom Boonen, Tom Steels, … En zo wandelden ze van de ene overwinning naar de andere. Het is gemakkelijk om supporter te zijn van een ploeg die altijd wint. (lacht)

Quick-Step is een wielerploeg die zich specialiseerde in eendaagse wielerklassiekers zoals de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en Luik-Bastenaken-Luik. Maar nu hebben ze Remco Evenepoel. Hij is voor de klassiekers zeker een goeie wielrenner, maar zijn specialiteit is het rondewerk. Om die rondes te winnen, heb je een ploeg nodig die hem daarin kan ondersteunen. Je moet als wielrenner meekunnen in de bergen, want daar wordt het verschil gemaakt. Daarom kijkt Quick-Step uit naar nieuwe wielrenners. Volgens Remco’s manager is de ploeg op dit moment niet sterk genoeg om hem te begeleiden naar zijn overwinning.

De fietsen zijn helemaal veranderd. Wanneer renners twintig jaar geleden afdaalden in een rit als de Ronde van Vlaanderen, haalden ze snelheden tot vijftig kilometer per uur. Bijtrappen had geen enkele zin. Maar nu, met die mega versnellingen rijden ze naar beneden tegen tachtig kilometer per uur. Ook de sturen zijn veranderd. Voor een betere aerodynamica worden ze smaller, waardoor de wielrenners dichter bij elkaar zitten. Als je het peloton ziet, gefilmd van bovenaf, valt het op hoe beangstigend dicht ze rijden. Dat komt ook weer ter sprake door Philipsens val.

Raymond en ik bekijken zijn fiets, zodat hij me kan wijzen op alle verschillen tussen fietsen toen en nu. Daarna bladeren we in een uitgave van Bahamontes. Zijn wielertijdschriften (“Ik heb zóveel boekskes”) bewaart hij in de garage, dicht bij zijn oldtimer. Hij stopt bij een artikel over Italiaanse fietsmerken en kijkt verliefd naar de fietsen op de foto. “Schoon hé. De Italianen maken de beste fietsen. Ooh, prachtig.”

Ik heb zelf drie keer de Mont Ventoux beklommen. Dat was lastig, echt lastig (lacht). De eerste zestien kilometer gaan door het bos. Daarna kom je aan Le Chalet Reynard, en volgt de steenvlakte. Het is warm, zo warm. Je rijdt in een spiraaltje naar boven, en telkens wanneer je de bocht omgaat krijg je wind op kop. Bij de allerlaatste bocht die ik moest doen, in mijn eerste beklimming ooit, stonden er Engelse toeristen geparkeerd langs de kant van de weg. Net toen ik passeerde, deed een van hen zijn deur open en ik vloog er knal op. Je kan de sporen van dat ongeluk nog steeds zien aan mijn fiets. Met het bloed aan mijn been ben ik boven gekomen. (lacht)
De laatste keer beklom ik hem samen met mijn kleinzoon. We kwamen toen van een andere kant die iets geleidelijker omhoog gaat. Maar toch, kan je het je voorstellen, dertien jaar! Zo’n klein mannetje.

Raymonds vrouw komt ons halen in de garage. Evenepoel is begonnen aan zijn tijdrit. We nemen plaats voor tv.

Mijn vrouw en ik moeten af en toe op controle voor ons hart. Onze hartslag wordt gecheckt terwijl we op een hometrainer zitten. De kracht die je nodig hebt om een bepaalde weerstand te overwinnen, wordt uitgedrukt in watt. Mijn vrouw haalt op die testen 50 watt, ik 200, en dat kunnen we dan een paar minuten volhouden. De wielrenners die nu meerijden gaan tot 800 watt, elke dag opnieuw.
Ik heb altijd voetbal gespeeld. Je moet het een beetje technisch kunnen spelen. Maar als je na al dat heen-en-weergeloop moe bent, dan ga je naar de kant en iemand anders neemt over. Op de fiets gaat zoiets niet. Dat maakt het ook zo mooi. Dat is een ongelooflijke pure sport. In de ploeg hebben kopmannen natuurlijk hun helpers die de eerste honderd kilometer de wind tegenhouden, maar daarna moeten ze het zelf gaan doen.

Raymond vraagt of ik meer wil leren over wielrennen. Hij springt opnieuw recht en opent het bovenste deurtje van de woonkamerkast. Er komt een klein boekje tevoorschijn. “In dit boek legt Tim Krabbé uit hoe een wielrenner rijdt. Voor iemand die geïnteresseerd is in koers, is dit het evangelie. Alleen is de zin die vooraan staat is er wel wat over.”
Ik skim door de tekst. Daar staat hij: ‘Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’ Ik moet luidop lachen. Raymond knikt. “Jaja, dat is overdreven. Maar hoe Krabbé de psychologie weet te vatten, is echt mooi. Je mag het lenen. Maar goed zorg voor dragen hé!”
Drie van Raymonds kleinkinderen komen toe. Maurice, de kleinzoon van negen, laat zich vallen in de zetel en begint mee te kijken. “Kijk eens hier, daar is mijn mijne maat. Je bent juist op tijd, Remco gaat het doen!”
En Remco doet het inderdaad.