Als ik Jan De Smet wil spreken op de plek die voor hem het meest gelinkt is aan wielrennen, moet ik naar zijn mancave gaan. Die plek is niet wat de naam doet vermoeden. De lichtrijke kamer is netjes georganiseerd, met centraal het bureau waaraan hij werkt. Maar daarnaast is de plek volledig gewijd aan koers: wielrennerstruitjes, boeken, prentjes,… Via telefoon word ik zelfs gewaarschuwd voor de geur van oude magazines – onterecht, want Jan heeft alles mooi in kartonnen dozen bewaard. Sinds hij een aantal jaar geleden zijn job als professor biochemie verruilde voor het pensioen, brengt hij hier zijn dagen door. “Ik stop om zes uur in de avond, want dan krijg ik een hongerke.”
Mijn passie voor biochemie en chemie is recenter dan die voor wielrennen, want dat verhaal startte toen ik een jaar of zes was. Ik verzamelde de prentjes die bij de kauwgom zaten. Die sjieken smaakten heel slecht, het was zeker niet daarvoor dat ik ze kocht (lacht). Op de voorkant stond het portret van de wielrenner, op de achterkant alle info. Als kind speelden we ermee, en wisselden ze uit op de speelplaats. Op één van mijn eerste kaartjes stond Rik van Looy, of Fik van Looy, zoals ik het volgens mijn moeder zei. Met die blauwe trui – tja, blauw is mijn lievelingskleur – werd het mijn lievelingsprentje. Ik heb zelfs straf gekregen voor die kaartjes. In het zesde leerjaar werden er tijdens de speeltijd vaak dubbels geruild. Op een dag, toen het tijd was om terug naar binnen te gaan, bleven we onder de banken kaarten doorgeven. Onze meester had het gezien en gooide de kaarten in de vuilnisbak. Toen hij niet veel later even naar buiten moest, viste ik ze er terug uit. Natuurlijk werd ik verraden en zo had ik het zitten. Het staat in mijn geheugen gegrift. Jan Mortier, klikspaan, ik ben je nog niet vergeten (lacht).
Er zijn veel dingen die ik gratis heb gekregen. De truc is om de echtgenotes van wielrenners aan te spreken, die willen opruimen.
Maar dan word je zestien en krijg je andere interesses. Je gaat studeren, je trouwt, koopt een huis, moet verbouwen, krijgt kinderen… Telkens belandt die doos met kaartjes steeds meer en meer op de achtergrond. Tot je een beetje op adem komt en denkt: “Ik zou wel een hobby willen”. Er stond in die periode een heel klein artikeltje in de krant over de Sportpaleis Antwerpen wielerbeurs, waar ik naartoe werd getrokken. Toen ik terug thuiskwam zei ik tegen mijn vrouw: “Ja, ik begin er weer aan!”. Vanaf 1995 ben ik volop beginnen verzamelen. In de mappen hier zitten allemaal foto’s en prentjes. Verder hangen mijn wielertruien hier op. De oude magazines liggen achteraan.
Er bestaan massa’s freaks zoals ik (lacht). Het is wel geminderd sinds ‘95. Toen ik begon, liep het tijdens die beurzen echt stampvol met mensen. Ik ging 6 tot 8 keer per jaar naar een beurs met een klein budget. Maar jammer genoeg hebben veel opkopers het een beetje verpest.
Vroeger kregen de wielrenners eigen fotokaarten van hun wielerploeg. ‘Pubkaarten’ noemen wij dat. Die werden gratis uitgedeeld. Als je een wielrenner wist wonen, ging je langs om een gehandtekende kaart te vragen.
Op kermiswedstrijden belden wielrenners aan bij mensen met de vraag of ze zich mochten omkleden in de garage. Het was geen uitzondering dat je er zo drie of vier in huis had. Als bedanking gaven de coureurs zo’n kaart. Na een tijdje zijn de ploegen die kaarten in handen beginnen nemen. Eerst werden ze gratis uitgedeeld, maar de mecaniciens van de ploegen merkten dat er veel interesse in was en begonnen de kaarten te verkopen. In het begin was het vijf euro voor een pakje van 20 kaarten, dat was nog te doen. Dat veranderde naar tien euro, dan vijftien euro tot soms 25 euro. Jonge mensen zijn daarop beginnen afhaken, het was simpelweg niet meer te betalen. Wij hadden het financieel iets beter, maar ik ben er in 2013 uiteindelijk ook mee gestopt.
En toch, toen ik na twintig jaar zoeken dat ene ontbrekende kaartje vond om mijn verzameling te vervolledigen, was mijn maand geslaagd.
Voor de waarde van deze objecten moet je het niet doen. Ik ben de enige uit mijn gezin die met koers bezig is. Na mij zullen mijn kinderen nooit alles kunnen verkopen voor hetzelfde bedrag dat ik erin heb gestoken. Maar ik heb er mijn plezier aan beleefd, net zoals iemand die op café gaat zijn geld ook niet meer zal weerzien.
Er zijn veel dingen die ik gratis heb gekregen. De truc is om de echtgenotes van wielrenners aan te spreken, die willen opruimen (lacht). Dat wielergerief ligt in hun ogen in de weg. Zo ben ik op een keer langs geweest bij een koppel waar we de hele voormiddag over koers hebben gepraat. Toen de echtgenote naar beneden kwam met volle zak om te tonen wat erin zat, herkende ik al onmiddellijk de leiderstrui van de Ronde van België uit 1959 – het jaar dat ik geboren ben. Een uniek stuk.
Soms hoor ik dat die truitjes nog gebruikt werden om mee te gaan metsen. Het zijn wollen truitjes, lekker warm dus. Maar wanneer ik dat hoor, breekt mijn hart.

Jan toont me de wielertruitjes. Het zijn prachtig gebreide wollen truitjes met geborduurde tekst op. Jan leert me dat wanneer het regende, de wielrenners een knoop konden leggen in hun truitje omdat het door het gewicht van het water zo was uitgerekt en anders in hun wiel zou draaien. Van sommige truitjes kent hij de eerste eigenaar, van alle truitjes weet hij nog hoe ze bij hem beland zijn. Op een ander rek liggen de boeken en magazines die hij zelf heeft geschreven. Hij haalt ze uit en laat me bladeren door zoveel wielergeschiedenis.
In 2008 heb ik mijn eerste boek geschreven. Op het forum van wielerverzamelaars waar ik lid van ben, begon ik met Patrick – die ik ook al kende vanop beurzen – te praten over De Groene Leeuw. Dat was een wielerploeg, gestart door een kleine wielerfabriek uit Deinze. We kwamen erop uit dat dit de lievelingsploeg van ons beiden was. Kunnen we daar geen boek over uitbrengen, dachten we, en we begonnen te brainstormen. De afspraak was dat Patrick zou schrijven en ik de interviews zou afnemen. En zo begon ik. Mijn eerste gesprek was met Gustaaf De Smet. Ik schreef hem eerst een brief, daarna belden we en hij ging akkoord met mijn bezoek. Ik vertelde hem dat ik zoiets eigenlijk nog nooit had gedaan. “Dat zal wel lukken,” zei hij, “kom maar af”. Ik heb er een hele namiddag gezeten, wat trappisten gedronken en veel gepraat over de koers. De kop was eraf.
De volgende was Armand Desmet. Gelukkig moest ik na dat gesprek om mijn dochter, want anders zat ik daar waarschijnlijk nog. Ik had het gesprek grondig voorbereid. Toen hij begon over De Ronde van Spanje, ging het over een rit waar hij ver op kop lag. “Ja, ik weet het,”, sprak ik, “maximum 7 minuten 34 seconden.” Hij begon te horen dat ik er wat van kende, en we zijn blijven praten. Nadien ben ik nog verschillende keren op bezoek gegaan, heb ik een tentoonstelling voor hem georganiseerd, en uiteindelijk heb ik op zijn begrafenis gesproken. Van hem heb ik ook een wielertruitje gekregen.
In mijn ogen zijn wielrenners goden, dat heb ik dikwijls tegen hen gezegd wanneer ik
hen interviewde.
Telkens wanneer er een verzamelaar overleed, verdween samen met die persoon ook alle kennis. Ik nam me voor om na mijn pensioen een tijdschrift te beginnen, zodat ik kon neerschrijven wat ik zelf wist. Misschien zouden er maar drie mensen geïnteresseerd in zijn, maar die info zou altijd geraadpleegd kunnen worden. Het magazine is er gekomen en begint nu zelfs uit zijn voegen te barsten. We zijn met vier medewerkers en een vormgever. Per jaar brengen we drie nummers uit van maximum 295 bladzijden, meer kan onze drukker niet aan. Je kan het ook gratis downloaden op onze website. En nu hebben we het gekke idee opgevat om het in het Frans te vertalen. Een van de redactieleden zal het vertalen, misschien tot zijn grote spijt ondertussen.
We willen mythes in het wielrennen onderzoeken en onwaarheden weerleggen. Zo keken we bijvoorbeeld hoeveel ritzeges Eddy Merckx nu eigenlijk écht heeft behaald, of waarom het rugnummer 51 geluk zou brengen.
In mijn ogen zijn wielrenners goden, dat heb ik dikwijls tegen hen gezegd wanneer ik hen interviewde. Die verzamelde kaarten droegen daar zeker toe bij. We speelden er zoveel mee, lieten ze zeker duizend keer door onze handen glijden.
Coureurs hebben natuurlijk ook hun kleine kantjes. Alleen zie je dat op tv steeds minder. Er is nu zoveel mediatraining. “Ik ga die wielrenner in de gracht rijden”, werd vroeger nog gezegd. Dat zou nu niet meer kunnen.
Daarom vind ik het goed dat Vingegaard zijn vrouw heeft gezegd wat ze te zeggen had. Dat geeft tenminste een beetje discussie, een beetje peper in het geheel.
Ik heb toegang tot verschillende oude kranten en ik doe niets liever dan artikels lezen waar ze het hart nog op de tong hebben.
Mijn vrouw krijg ik nooit meer mee naar Frankrijk om de Tour de France te gaan kijken. Op een van onze reizen, toen de kinderen nog klein waren, kampeerden we in het zuiden van Frankrijk. 150 kilometer verderop, in Andorra, passeerde de Tour. Ik wou graag eens een bergrit in de Pyreneeën meemaken, dus vertrokken we ’s ochtends met ons zessen richting Andorra. Na wat kleine akkefietjes vonden we een plaatsje op de berg. Het duurde een uur om de volledige Tour te zien passeren. Maar waar ik niet aan gedacht had, was dat we die berg ook weer af moesten, net zoals iedereen die daar staat. Binnen de kortste keren stonden we allemaal vast in een file. Op de grens van Andorra werd één op de twee auto’s gecontroleerd. We hadden geen eten mee in een auto met vier jengelende kinderen. Het was al donker toen we Frankrijk weer binnenreden, maar hadden nog een lange rit te gaan. We keken op de kaart welke route we het beste konden nemen en beslisten om door de bossen te rijden. Ik maakte toen de fout om tegen mijn vrouw te zeggen dat als we in die bossen zouden verdwalen, we nooit meer werden teruggevonden. Ik kreeg een hoop zottigheid naar mij geslingerd, waarschijnlijk terecht (lacht). Uiteindelijk zijn we heelhuids terug op de camping geraakt.
Jan klaagt dat hij geen 36 uren in een dag heeft, maar daar geloof ik niets van. Hoe anders speelt hij het klaar om naast zijn indrukwekkende boeken en magazines ook nog als hobby stambomen te onderzoeken? Wanneer ik hem zeg dat hij het nu drukker heeft dan vóór zijn pensioen lacht hij: “Dat mag hier niet zo gezegd worden.” Gelukkig leer ik dat zijn vrouw elke dag bezig is met de verzorging van een collectie bonsais. De twee zijn aan elkaar gewaagd. “Toen ze op reis ging, moest ik alle boompjes water geven. Ik zei haar dat ik ze alle 88 had verzorgd. Dat het er zoveel waren, was volgens haar onmogelijk. We hebben ze nadien geteld en kwamen uit aan 92.”
Wie graag meer wil weten over Waaiers, het gratis magazine dat drie keer per jaar uitkomt, kan surfen naar waaierstijdschrift.be
