Juul spreekt me wanneer zijn twee dochtertjes net in bed liggen. Geduldig heeft hij hun tanden gepoetst en hen slaapwel gekust. Alles ademt de rust van een kalme zomeravond.
Nochtans valt tijdens het gesprek meerdere keer het woord fanatiek. Er is iets aan de koers dat het competitieve vuur in hem aanwakkert, een karaktertrek die hij – net als de liefde voor het wielrennen – van zijn ouders heeft meegekregen.
“Als onze kindjes echt niet luisteren, geven we soms straf. Ze mogen dan niet naar tv kijken of ze moeten vroeger in bed. Als ik in hun ogen iets stouts heb gedaan, zeggen ze: “Je gaat ook straf krijgen, geen koers voor jou!”, elke keer opnieuw.”
Vroeger gingen we iedere zomer met de hele familie een week of twee op reis naar de Ardennen. Ik herinner me hoe mijn pa nooit mee ging op middaguitstap, want hij moest naar de Tour kijken. De andere nonkels bleven soms ook eens thuis, maar toch niet zo strikt als hij. Ik was nog een kind, en begreep dat niet zo goed. Mijn moeder zal er waarschijnlijk ook wel kwaad om geweest zijn, maar voor hem dat was belangrijk.
Toen ik in het vijfde leerjaar zat, kreeg ik een koersfiets voor mijn verjaardag. Daarmee fietste ik elk weekend, samen met mij pa, naar een café waar ik een stempel verzamelde. Wielerbond Vlaanderen had papieren stempelkaarten die je in één seizoen zo vol mogelijk moest krijgen. De cafés organiseerden die ritten, hun verdienmodel was dat je daar dan een koffie dronk. Ik keek elk weekend welke cafés er op ongeveer dertig kilometer van ons huis lagen, en dan fietsten we daar naartoe. Ik was niet de enige in het gezin die daar fanatiek mee bezig was. Mijn moeder werd zelf ooit de vrouw met de meeste stempels in West-Vlaanderen.
Op een dag, ergens toen ik veertien was, vroeg ik aan mijn ouders of ik mocht beginnen koersen. Ik weet nog goed: op dezelfde dag dat Johan Museeuw stopte met wielrennen, kreeg ik toestemming van een lokale wielerploeg om bij hen te mogen starten. Dat was voor mij erg symbolisch.
Ik begon bij de nieuwelingen, en stapte na twee jaar over naar de junioren. Het hoogste dat ik heb bereikt was Parijs-Roubaix voor junioren. We waren met vier in de ontsnapping, op veertig kilometer van de streep. In mijn hoofd dacht ik: dit wordt mijn beste resultaat ooit. Maar door die gedachte was ik zo nerveus dat ik dacht dat mijn achterwiel plat was, terwijl het mijn voorwiel bleek te zijn. De mecaniciens kregen het achterwiel er niet meer in en toen was het helemaal om zeep. Die rit reed ik uiteindelijk nog zes keer plat.
Ooit heeft mijn vrouw volk uitgenodigd tijdens Parijs-Roubaix die niets met de koers hadden. Toen was ik echt boos.
Vanaf mijn studententijd was de goesting een beetje weg. Ik zat nu ook niet bij de top van mijn jaar. Een paar keer werd ik tweede, maar nooit won ik iets.
In de eerste aflevering van Vive le vélo dit jaar, kondigde Tim Declercq aan dat hij waarschijnlijk zal stoppen. Hij is van hetzelfde jaar als ik en is de laatste van onze lichting die nu nog koerst. Als jong manneke droomde ik er wel van om ook prof te worden, maar op mijn achttiende had ik het ermee gehad. En achteraf ben ik daar blij om. Waarschijnlijk was ik toch nooit prof geworden. Daar moet je tegenwoordig echt wel heel goed voor zijn, en zoveel voor opofferen. Dus ja, nu ben ik zeer blij met mijn vierjarige carrière.
Bij ons in de familie is het de gewoonte dat je naar de klassiekers kijkt op tv. Dan zit je vanaf het begin voor tv, je valt even in slaap, en dan word je net op tijd wakker voor de finale. Dat heb ik even gelaten, maar sinds een jaar zit ik weer wat meer voor het scherm.
Als het Parijs-Roubaix of de Ronde van Vlaanderen is, dan weet mijn vrouw dat ze mij gerust moet laten. Ooit heeft ze volk uitgenodigd tijdens Parijs-Roubaix die niets met de koers hadden. Toen was ik echt boos.
De Tourmanager, dat spelletje van Sporza, daar ben ik door gebeten. Alleen jammer dat ik nog nooit zo slecht gestart ben. Ondertussen sta ik alweer 20.000ste van de 90.000. De eerste dag scoorde ik amper vijf punten.
We zijn daar met de vrienden dan ook echt mee bezig. Dit jaar is het thema van onze Tourmanager ‘dahlia’s’, omdat we met enkelen dahlia’s zijn beginnen kweken.
Het leuke is dat je plots ook oog krijgt voor de ‘mindere goden’. Natuurlijk rijden ze allemaal goed, maar neem nu Romain Grégoire of Oscar Onley. Daar had ik nog nooit van gehoord. Na wat opzoekingswerk heb ik ze in mijn ploeg gezet en nu volg ik hen fanatiek. Vandaag was Onley als enige mee met de achtervolging en werd hij vierde. Dat zorgt bij mij voor nog wat extra vreugde. In de auto zat ik met de radio aan luidop te supporteren. Ik vermoed dat sommige chauffeurs raar hebben gekeken.
Ik zou het geen wereldramp vinden mocht de Tour er niet meer zijn, maar het is echt wel een zeer aangenaam tijdverdrijf. Eventjes tijdens het werk Sporza openklappen om te zien of er nog dingen gebeurd zijn. Het zorgt er ook voor dat ik iets extra heb om over te zeveren met de vrienden, om wat connectie te maken.
Het is toch ook een stukje nostalgie. Als ik naar Vive Le Velo kijk en Tim Declercq kondigt zijn afscheid aan, dan denk ik weer een keer aan vroeger aan die mooie tijd. We hebben een paar sprintduels gehad. Het blijft een band met mijn jeugd.
Kijken doe ik liefst alleen. Dan hoor ik alles het best. Ik heb geen gehoorprobleem, maar als er teveel gepraat wordt of de kindjes spelen hier, kan ik mij niet focussen. En ik hoor graag alles dat er gezegd wordt. Soms nodig ik een vriend uit, maar dat is echt wel zeldzaam.
Het liefst van al kijk ik nog thuis bij mijn ouders, op mijn vast plekje in de zetel, samen met mij pa. Hij zegt ook niet veel. Tja, zo gekweekt zeker?

Wie bij Juul en zijn gezin naar het toilet moet, merkt de sporen van zijn koersverleden. Er hangt een ingekaderde foto aan de muur van hem als junior, in volle actie – waarschijnlijk net tegen Declerq aan het sprinten. De zijkanten hangen vol met stickertjes van glinsterende unicorns. Nostalgie met een female touch.
