Jan wacht me op in Ledegem, waar hij samen met zijn vrouw Ann het gelegenheidsafé Zet Joe Bie openhoudt. Het is een uit de hand gelopen hobby. Wat begon met eigen (pensioen)feestjes, groeide uit tot een wekelijks pop-up café tijdens de zomer. Het grote pand, dat ooit het schrijnwerkatelier van Anns vader en oom was, kijkt uit over de velden van Ledegem. Af en toe passeert een tractor. Achteraan in het gebouw vind je nog steeds een atelier. Na zijn uren als docent bij de ViVes werkt Jan er aan opdrachten, zoals de houten picknickbanken die hij verkoopt. Ook alles dat voor het café hersteld of gemaakt moet worden, gebeurt daar. Klein detail: het café staat volledig in teken van de koers. Op de muur pronkt Cyrille Van Hauwaert, de oer- flandrien. Naast amateur café-uitbater is Jan ook vader van een prof wielrenner bij Team Cofidis.
Anns ouders zijn op korte tijd allebei overleden. Hun eigendom kwam bij haar terecht, ze is enig kind. Er was dit pand, het huis ernaast en het café daarnaast – de Reisduif, wat ook een echt wielercafé is. Het huis is ondertussen verkocht. De Reisduif is nog in handen van Ann, maar de nieuwe cafébaas heeft het er erg naar zijn zin. Het plan was dat onze tweede zoon in dit gebouw een houtatelier zou starten, maar dat is uiteindelijk niet doorgegaan. Toen hij de beslissing nam om dit plan te laten varen, waren ondertussen wel al nieuwe ramen geïnstalleerd en was het nieuwe dak besteld. Ik was ondertussen wat beginnen klussen en houten banken aan het maken. Dat vond ik erg fijn om te doen. We hadden toen ook het idee om hier Anns pensioenfeest te geven. Om al die redenen hebben we beslist om het pand te houden.
Die pensioenfeestjes, het werden er uiteindelijk drie, waren leuk. Mensen zeiden ons dat het een tof plekje was en we er verder mee moesten gaan. In die periode was er ook de koers op Paasmaandag in de wijk. De Reisduif doet dan telkens open, maar het is altijd een enorme volkstoeloop daar, aangezien zij het enige café langs het parcours zijn. We beslisten om het hier ook open te stellen. Anns vader was ooit sponsor van die koers en stelde telkens de poorten van het atelier open om er een gelegenheidscafé van te maken. We vonden dat we die traditie moesten verderzetten. Van het een is het ander gekomen.
Julien Vervaecke had een café in Menen. Hij werd in 1940 niet ver van zijn café vermoord teruggevonden. Er bestaan zoveel fantastische maar ook lugubere verhalen over die mannen.
Deze plek dient om mensen te ontmoeten. Het mag allemaal wat trager gaan. Er komt iemand helpen vanuit Mariënstede. Dat is een thuis voor mensen met een beperking. Ismael amuseert zich hier. Hij voelt zich nuttig en heeft zijn eigen planning. Hij komt toe, zet de stoelen onder tafel, zorgt dat de bloemenvaasjes klaar staan, begint koffie te maken. Dat alles doet hij op een zeer ontwapende manier. Zo’n samenwerking ligt helemaal in de lijn van wat we willen.
Ik ben al een tijdje vrijwilliger bij Mariënstede. Nu en dan ga ik fietsen met een blind meisje, die hier graag was gekomen maar daarvoor zijn de obstakels te groot. Je voelt dat er bij de inwoners onderling soms een beetje jaloezie is, maar ze zoeken vooral samen naar een plek waarvan ze het gevoel krijgen dat ze erbij horen.
Het was even wennen om te fietsen op een tandem met iemand met een visuele beperking. Iemand die kan zien, gaat er heel snel van uit dat iedereen kan zien. Ik vertel nu en dan wat ik zie. Maar eigenlijk weet ik helemaal niet of zij dat wil weten, want daarmee benadruk ik misschien net dat zij niets ziet. De begeleiders adviseerden me om het gewoon te vragen. Misschien geniet zij heel erg van het fietsen, van de wind te voelen of de beweging van het trappen.
Joël, de vader van Ann, is opgegroeid in het café. Het café is altijd hand in hand gegaan met de koers, wat een echte volkssport was. Joël komt uit een gezin van negen kinderen. Toen zijn ouders gestorven waren heeft zijn oudste zus Simonne De Reisduif overgenomen. Haar dochter Marleen is later getrouwd met Patrick Lefevre. Voor Patrick ploegleider werd, was hij een succesvol renner. Zijn supporterslokaal was hier, bij zijn lief. De samenhang tussen het café en wielrennen werd nog groter. Na elke koers, en hij heeft er een serieus aantal gewonnen, was het daar kermis.
Wanneer je het nagaat, is koers vaak verweven met een café, zeker een paar decennia geleden. Hier hangen portretten van voormalig wielrenners uit de streek, die allemaal grote koersen hebben gewonnen. Laat ons zeggen dat tachtig procent van hen later cafébaas is geworden. Gaston Rebry begon in Wevelgem de Paris-Roubaix, Maurice Desimpelaere verhuurde juxeboxen (dus ook weer dat caféleven), Marcel Kint was cafébaas van Café Valkenburg in Zwegem en Julien Vervaecke had een café in Menen. Hij werd in 1940 niet ver van zijn café vermoord teruggevonden. Er bestaan zoveel fantastische maar ook lugubere verhalen over die mannen.
Toen de vorige huurders van het café hadden opgezegd en we terug in het pand konden, vonden we tijdens de opkuis op zolder allemaal plastic boeketten. De bloemtuilen van Patick Lefevrelagen daar stof te verzamelen. Een aantal heeft de tand des tijds overleefd, zoals het boeket bij de winst van Kuurne-Brussel-Kuurne, zijn grootste overwinning.
Toen bedacht ik me dat ik al die moeite had gedaan om tot in Valloire te geraken om vervolgens de passage van mijn zoon te missen, enkel en alleen omdat er een paar mannen stonden te zeveren
over een petje.
Er was in onze familie een zeer grote interesse in koers. Toen de kinderen klein waren, gingen we in Frankrijk kamperen. De Tour de France passeerde in de buurt en we gingen met hen eens kijken. Dat vonden ze fantastisch, vooral door die hele reclamekaravaan die passeerde. Zo rijpte het plan om het jaar erop met een mobilhome de Tour te volgen. Dat hebben we uiteindelijk twee jaar op rij gedaan. Voor de kinderen was dat een feest. Ze verzamelden van alles, een eigenschap die ze toch wel een beetje van mij hebben.
Joël gaf onze twee jongste zonen een koersfiets cadeau op het moment dat er in Roeselare een opleidingsploeg voor jonge renners werd opgericht. Daar zijn ze bij gestart, en dat was meteen ook de start van hun wielercarrière. Alle grootouders waren in de hemel toen onze kinderen begonnen te koersen. Daarvoor deden onze kinderen aan veldlopen. Dat betekende in de winter op een natte weide supporteren, met een drankje in een grote sporthal. Maar koers, dat betekende cafés! Voor hen waren dat ook fijne tijden.
Matthijs, onze middelste zoon, heeft gefietst tot aan zijn achttiende en was een zeer goede klimmer, maar hij miste de punch om te winnen. Piet was durver, de sprinter. Uiteindelijk heeft hij er zijn beroep van gemaakt, maar eigenlijk is dat eerder toevallig gebeurd. In de allerlaatste maand als belofte boekte Piet een overwinning. De opleidingsploeg Sport Vlaanderen – Baloise had op dat moment een plaatsje vrij, en zo is hij kunnen beginnen als profwielrenner.
Voor ons als ouders veranderde er veel. Eerst was je als ouder voor alles verantwoordelijk. We moesten zorgen dat er eten mee was, je moest hem masseren terwijl we daar niets van kenden. Was het eigenlijk wel goed dat wij hem masseerden? (lacht) Maar de afstand vergrootte natuurlijk ook wel vanaf het moment dat hij prof werd. En dat is goed, want ik ga ervan uit dat je geen situaties wil waarbij de ouders zich beginnen bemoeien met ploegtactiek. Wanneer we nu gaan kijken, zien we hem amper. Maar we zijn natuurlijk fier.
Dit jaar rijdt Piet niet mee, maar vorig jaar zijn we opnieuw samen met de mobilhome naar de Tour gaan kijken, omdat Piet deelnam. Er werd heel laat beslist dat hij de Tour mocht meerijden. Toen we het hoorden, ben ik meteen beginnen uitkijken naar een mobilhome die we konden huren, maar het was niet simpel om er eentje te vinden. Uiteindelijk hebben we de ritten in Italië, waar ze begonnen met de Tour, laten vallen en hebben we ingepikt in Valloire. Dat was de eerste Franse etappeplaats. Eenmaal aangekomen volgden we beelden van de rit op onze smartphone, maar enkel de eersten worden in beeld gebracht. Waar Piet ergens zat wisten we dus niet. We zagen Pogaçar aan een enorme snelheid passeren en plots kwam de angst dat hij, na alle moeite die we hadden gedaan om er te geraken, niet meer in de Tour zou zitten. We hoopten dat er niets ergs gebeurd was en bleven uitkijken. Na een halfuur zagen we hem ineens, en dat was zo’n fantastisch moment. Er was zo’n opluchting dat hij niet ontgoocheld in de bus zat toen we kwamen kijken.

Het straffe is dat ik hem eigenlijk niet heb zien voorbij komen. Nadat de reclamekaravaan gepasseerd was kwamen vier jonge gasten aan ons vragen of we een petje hadden gevangen van Cochonou, een worstenmerk. Ik stond met hen te praten en net op dat moment passeerde Piet.
Ann vroeg me of ik hem had gezien, en ik zag nog net in de verte zijn rug. Toen bedacht ik me dat ik al die moeite had gedaan om tot in Valloire te geraken om vervolgens de passage van mijn zoon te missen, enkel en alleen omdat er een paar mannen stonden te zeveren over een petje.
Als je iemand dierbaars in het peloton hebt, is het altijd hopen dat die ene uitschieter nog komt. Ondertussen heeft Piet wel al een profoverwinning. Dat kunnen ze hem niet meer afnemen. Daar hangt wel een zwart kantje aan vast.
Toen mijn vader stervende was (hij had ALS), moest Piet de Franco-Belge meerijden. Vroeger noemden ze hem de Grand Prix de l’Eurométropole. Ik had besloten om die dag niet te gaan kijken en was hier in het atelier wat aan het prutsen. Het laatste stuk wou ik op tv zien. En helemaal uit het niets won hij die koers. Er was een groep van dertig renners, hij won de sprint van onder andere Jasper Stuyven. Niemand had dat verwacht. Ik was euforisch en belde Ann en daarna mijn moeder om het te vertellen. “Ja”, zei mijn ma, “maar het gaat eigenlijk niet goed met pa.” Ik ging van huis naar hen, en Ann kwam rechtstreeks van de koers naar het huis van mijn ouders. Tegen die tijd kon mijn vader al niet meer spreken en bewegen door ALS, maar hij was wel nog heel lucide. Hij zal het dus wel beseft hebben dat Piet een profkoers gewonnen had. Mijn moeder heeft het idee dat hij het daarna heeft losgelaten, dat het goed geweest was. Een uur of twee daarna is hij gestorven.
Over een paar jaar wordt geëvalueerd wat er met Zet Joe Bie zal gebeuren. “Ik wil geen slaaf van dit project worden”, zegt Jan. Tegen dan moeten de drie zonen beslissen of ze het zullen overnemen, al heeft elke zoon zijn eigen leven en past het café daar niet echt in. Maar daar lijkt Jan niet van wakker te liggen. Er komt wel weer iets nieuws.
Wie daarvoor graag nog een bezoekje wil brengen en het volledige verhaal over Julien Vervaecke wil horen, kan via de Facebookpagina de openingsuren in de gaten houden.
