Etappe 12 – Dimitri

Ik ontmoet Dimitri Van Boxstael in de eerste weken na zijn carrièreswitch. Lang werkte hij als verzorger en logistiek planner bij de ploeg Team Visma l Lease a Bike. Je herkent hem misschien van bij Vive le Vélo, waar hij een portretkaartje in ontvangst mocht nemen. Maar door de zeer onregelmatige dagen – hij sliep vorig jaar tweehonderd nachten op hotel – besloot hij over te stappen naar voetbal. Sinds deze maand rijdt hij bijna elke ochtend naar RSC Anderlecht, en zit de werkdag er vaak tussen twee en vijf uur ’s middags op. Tot nu toe bevalt het hem enorm. Toch spreekt hij nog over de koers in tegenwoordige tijd, en blijven het ‘onze’ wielrenners. “Wielrennen is een hele aparte wereld. Ik ben nu gestopt, maar toch blijft het familie. Ik hoor mijn oud-collega’s nog bijna dagelijks. Als ik morgen zeg dat ik terugkeer, denk ik dat ik meteen kan starten.”

De start van de Tour viel bijna gelijk met mijn eerste dag bij Anderlecht. Ik heb niet echt de tijd gehad om er echt bij stil te staan. Maar toen ik op mijn eerste vrije dag kon kijken, miste ik het wel. Maar goed, het is een keuze. Langs de andere kant ben ik blij dat ik straks naar huis kan en op zondag een min of meer vrije dag heb. In de Tour leef je in een circus. Ik kan het uitleggen, maar zoiets moet je meemaken om het te begrijpen. Het is echt ongelooflijk. De eerste keer is het overweldigend, de tweede keer is het nog altijd wauw, maar daarna wordt het echt gewoon een circus. Ik heb er uiteindelijk twaalf of dertien gedaan. Vorig jaar vroeg ik me af waarom ik daar zat. En toch bijt het nu een beetje. Ik vind het heel jammer dat ik er niet bij ben, maar ik ben blij dat ik zelf eens kan kijken en met mijn collega’s kan lachen die nu op hotel zitten. (lacht)

Als kind wou ik wielrenner worden. Maar ik had noch het talent, noch de werkijver om het te maken. Na mijn studies ging ik soms mee als freelance verzorger bij een klein ploegje. Op een wedstrijd vroeg de opleidingsploeg van Quickstep me of ik niet met hen wou meegaan. Nadien schreef ik me in voor een massagecursus. Ik werkte ondertussen voltijds als ambtenaar bij de federale overheid. Van de 50 vakantiedagen die ik had, spendeerde ik er 45 aan mijn freelance werk als verzorger. Mijn vrouw zei: “Ofwel doe je het ene, ofwel het andere”, en ik besloot te mailen naar een jeugdvriend van mijn vader die bij Rabobank Cycling Team werkte. Ik heb veel geluk gehad, want de dag na mijn eindexamen mocht ik er starten.

De dag erop is er steeds NaTourCriterium in Aalst, maar daar ging ik niet meer naartoe.
Ik kon geen fiets meer zien.

Bij de Tour ga je bijna een maand op stap met dezelfde groep. De collega’s en renners waarmee je samenwerkt, ken je al lang. Je deelt alles. Vreugde, tegenslag,… Het groepsgevoel is enorm. Je hebt eigenlijk allemaal vrienden rond je, want het zijn geen collega’s, het zijn maten. Je zit samen in een bepaalde sfeer, en dat maakt zelfs gewoon naar huis bellen soms moeilijk.
Als ik op mijn nieuw werk vertel hoeveel ik vorig jaar van huis was, vallen ze achterover. Vorige week zijn we zes dagen en nachten op stage geweest. De meesten vinden 6 dagen veel. Terwijl het voor mij wel de gewoonte was om een maand van huis te zijn.
Als je thuis vertrekt, duw je eigenlijk op pauze, om dan een maand later weer op play te drukken.
In het begin waren we dat nog niet gewoon. Ik moest echt mijn plek thuis weer gaan afdwingen. In de Tour kon ik elke dag mijn vuile was afgeven en werd die voor mij gedaan, maar bij thuiskomst na de Tour zei mijn vrouw: “Je moet hier nu ook niet komen staan met je wasnetje.” Onze zoon werd groter en ik merkte dat hij het lastiger kreeg met mijn afwezigheid. Via Facetime belde ik dan om te zeggen dat hij zijn huiswerk moest maken en ik dacht, waar ben ik mee bezig? Toen ik hoorde dat er bij Anderlecht iemand wegging, heb ik geïnformeerd en na een gesprek werd overeen gekomen dat ik mocht starten bij hen.
Wat voor iemand anders gewoon is, voelt voor mij nu speciaal. Ik ga iedere avond naar huis en we moeten daar als gezin weer aan wennen om terug in dat ritme te komen. Ik ben nu zelfs voor de arrivé al thuis ’s avonds! In de Tour gingen we meestal pas aan tafel rond half tien ’s avonds, om dan rond half elf naar de hotelkamer te gaan. Je wordt voor een stuk geleefd. Ik begon de Tour met een steekvlam en in Parijs eindigde ik met een klein waakvlammetje. Er is een slotfeest, en ook al is dat altijd een leuk feest, ik viel er in slaap van vermoeidheid, net zoals andere collega’s. De dag erop is er steeds NaTourCriterium in Aalst, maar daar ging ik niet meer naartoe. Ik kon geen fiets meer zien.

Wat de vrouw van Vingegaard in de krant heeft gezegd over de ploeg en de renners,
is enorm uitvergroot.

Ze zeggen altijd, de Tour gaat verder. En eigenlijk is dat zo. In 2012 zijn we met vier renners geëindigd omdat er een valpartij was waarbij acht renners tegen de grond gingen. Eén van die renners, Maarten Tjallingii, kwam over de streep, stapte af en zakte door zijn heup want hij had zijn heupkom gebroken. Daar zit je dan nog met vier. Toch wonnen we nog een rit. De euforie toen was enorm. Dat was denk ik het meest intense moment in die zestien jaar dat ik bij de ploeg zat.
Wanneer je in zak en as zit om wat er net gebeurd is, moet je door. Je hebt geen keuze. Als de sfeer goed zit, dan rechten we onze rug en gaan we er meteen weer voor. Dit is een teamsport. Bij Visma hameren ze daar enorm op. We delen de goede momenten en we delen ook de slechte momenten. Ze hebben de blanco koers: dat zijn zo’n beetje de waarden en normen van de ploeg. Die moeten helpen om de groepssfeer te behouden en uiteindelijk de Tour te winnen. Een van de geboden is bijvoorbeeld dat we praten met elkaar en niet over elkaar.
Dus als er een probleem is, en dat is de Nederlandse stijl, dan wordt het meteen uitgesproken. Niet de Belgische manier van zeggen dat het goed is en achter de rug iets anders zeggen.

In de Tour is het hem altijd om clickbaits te doen. Wat de vrouw van Vingegaard in de krant heeft gezegd over de ploeg en de renners, is enorm uitvergroot. In mijn allerlaatste wedstrijd had ik Jonas op de tafel. Ik vertelde hem dat ik ging veranderen van werk omdat ik meer thuis wou zijn. Jonas antwoordde daarop dat hij het begreep en het ook moeilijker kon opbrengen om zoveel weg te zijn van huis. Dat is min of meer wat zijn vrouw toen aan de pers verteld heeft. Dat interview was volgens wat ik heb gehoord ook al eventjes geleden opgenomen. Er is één gesprek gevolgd tussen Wout en Jonas, en dat was het. Het was geen ding binnen de ploeg, maar net veel meer buiten de ploeg. Op die manier proberen anderen de sfeer te destabiliseren. Je moet incalculeren dat ook dat de Tour is.

De voetballers bij RSC Anderlecht zijn enorme koersliefhebbers. Dat heeft geholpen om snel geaccepteerd te worden in de groep. Toen we op stage waren stond er in de meeting room een beamer ’s avonds die Vive le Vélo projecteerde. De spelers vragen vaak hoe het tijdens ritten gaat en wie er wint. Tijdens een uitzending in het begin van de Tour hebben we vragen ingestuurd tijdens de live-uitzending op Sporza. Dat werkt met een QR-code en je naam. De verzorgers hadden vragen ingestuurd in naam van Mats Rits, Colin Coosemans,… Er was een beetje een strijd gaande tussen Club Brugge en Anderlecht. (lacht) Toen Mats klaar was met zijn training, vroeg hij: “Wat is er gebeurd? Mijn telefoon staat roodgloeiend!”

Werken in de wielersport is voor mij levensbepalend geweest. Ik heb de 9-tot-5-mentaliteit meegemaakt. Dat wil ik nooit meer. Ik zou vastgeroest zijn op een bureau. Dankzij de job als verzorger ben ik overal geweest. Ik heb van alles gezien en dat heeft veel voor mij betekend. Ik was heel stil en gesloten. Dankzij de ploeg ben ik meer een teamplayer geworden. Je hebt geen andere keuze, je moet je aanpassen. Ondanks dat ik pas met die job gestart was toen ik al dertig was, heeft het mijn karakter deels veranderd.
Als verzorger krijg je soms mensen op je tafel naar wie je opkijkt. Maar waar zo’n wielrenner naar hunkert is dat mensen normaal doen tegen hen. Sommige wielrenners bellen naar huis in het uur dat ze verzorgd worden, of ze doen een dutje. We laten hen vrij. Het is aanvoelen waar ze nood aan hebben. Na verloop van tijd ken je hen en weet je wat ze willen en wat ze vooral niet willen. Maar steeds is de regel: als je op tafel komt gaat de deur dicht en blijft ze een uur dicht. Alles wat er binnen de muren gezegd wordt, komt niet naar buiten, behalve als er medische problemen zijn. Op die manier creëer je ook een band. En dat is niet langer een relatie van renner-verzorger, maar een van vrienden. Met sommigen heb je een echte klik.
Als een renner weggaat kreeg ik soms een shirtje thuis gestuurd als bedanking. Voor hen is dat iets kleins, maar voor mij betekent dat heel veel. Ik heb ondertussen al een serieuze collectie. Toen ik die eens op Instagram postte, vroeg iemand: kan ik ze kopen als ik 1500 euro bied? Maar die truitjes verkoop ik nooit. Daar heb ik zo’n emotionele band mee.
Toen ik stopte, hadden ze een beeldje laten maken van een mannetje dat een bidon overhandigt aan een wielrenner. Dat mannetje moest mij voorstellen. Ik ben normaal niet snel geëmotioneerd, maar tijdens mijn speech kwam ik al niet meer uit mijn woorden na de eerste zin. Ik ga die zestien jaar niet zomaar vergeten. Elke keer als ik naar de koers kijk, krijg ik kriebels.