Bieke Purnelle combineert in juli haar werk voor RoSa vzw met de Tour de France. Ze schrijft elke dag een column voor De Standaard, genaamd ‘Bieke à bloc’. Nadat ze in 2019 over elke etappe uit de Tour een blogpost had gemaakt, stapte ze naar de redactie met de vraag of het niets voor hen was om dat te publiceren. “Ik besefte toen nog niet waar ik aan begon. Ik kan niet zeggen dat ik een keer geen zin heb in deadlines, want de krant moet gedrukt worden.” Ondertussen doet ze ook in het voorjaar verslag van de grote klassiekers, maar de grote rondes blijven speciaal. “Als het een heel spannende etappe is, ga ik veel te veel op in de wedstrijd om daarnaast iets te zoeken om over te schrijven. Dat gebeurt enkel bij saaie ritten. Die zijn er gelukkig niet vaak. Ik probeer gewoon een impressie te geven van wat ik zelf heb gezien en gevoeld. Ik hoef niet mij aan allerlei regels te houden, maar kan eigenlijk doen wat ik wil. Dat is heel fijn.”
Mensen vragen wel eens of het wielrennen me met de paplepel werd ingegeven. Het klopt dat het wielrennen bij ons thuis altijd op stond, maar mijn ouders waren zeker niet fanatiek. Mijn vader deed ook heel veel dutjes tussendoor, en hij bleef er nooit speciaal voor thuis. Daarnaast is het ook niet zo dat als het wielrennen bij jou thuis aanwezig is, je daar dan automatisch zelf iets mee hebt. Hier thuis is er ook altijd koers te zien en mijn zonen hebben zoiets van: “Boring!”. Er zijn veel mensen die het net verschrikkelijk vinden en er zeker niets mee te maken willen hebben omdat ze er als kind te veel naar hebben moeten kijken. Zelf was ik als kind al erg gefascineerd door al het drama dat rond het wielrennen hing. Frank Heinen zei ooit dat als je van literatuur houdt, je dan eigenlijk ook van wielrennen moet houden. Ik was een grote lezer en ik hou van theater, en in de koers valt het allemaal samen. Het interessantste is niet wie er wint, maar wat er onderweg allemaal gebeurt. De grote rondes vind ik het allerleukste. Daar lopen zo veel verhaallijnen door elkaar. Je hebt de strijd voor het klassement, de strijd voor de dagzege, persoonlijke vetes,… Heerlijk. Wielrennen heeft een levendig narratief, wat andere sporten volgens mij veel minder hebben.
In een aantal landen is er toch minder onderscheid tussen mannen- en vrouwenwielrennen dan hier, de bakermat van de koers. Toch spreken we nog steeds over ‘wielrennen’ en ‘vrouwenwielrennen’.
Als renner ben je super nietig. Je bent zo afhankelijk van het weer. Het kan plots beginnen hagelen of sneeuwen, het is soms glad, je kan zomaar de gracht inwaaien,…
Er bestaat een soort adoratie voor de lijdende wielrenner. Misschien omdat wielrennen oorspronkelijk toch een beetje een katholieke sport was. Lang geleden zette de Kerk zich af tegen competitieve sporten, want dat hield mensen weg van werken en naar de kerk gaan en bidden. Sportbeleving kon ook leiden tot drinken en decadentie. Maar paus Pius de twaalfde zag in het wielrennen een goede manier was om jongens en mannen op het rechte pad te houden, want het is hard en je hebt er veel discipline voor nodig. Vanaf toen werd de koers echt omarmd in de Kerk. Wielrenners en hun fietsen werden zelfs gezegend aan het begin van een wedstrijd of het seizoen, als een ritueel. Er zijn nog steeds kapellen waar dode wielrenners geëerd worden.
Hoe traag het ook lang is gegaan, de interesse voor vrouwenwielrennen is intussen enorm gegroeid. Er was ook een grote inhaalbeweging te maken. Toch denk ik dat nog steeds weinig mensen weten wat het levensverhaal is van Yvonne Reynders, terwijl ze zeven keer wereldkampioen werd. Of wie Victoire van Nuffel was. Er werd weleens gezegd dat er nu eenmaal niemand geïnteresseerd was in vrouwenwielrennen, maar hoe kunnen mensen interesse hebben in iets wat niet wordt uitgezonden. En dat is nog maar sinds 2018 het geval. In een aantal landen is er toch minder onderscheid tussen mannen- en vrouwenwielrennen dan hier, de bakermat van de koers. Toch spreken we nog steeds over ‘wielrennen’ en ‘vrouwenwielrennen’. Er worden echt wel zeer verdienstelijke pogingen gedaan om de vrouwensport een plaats te geven, maar het blijft toch nog altijd een beetje het kleine zusje. Ze mag meedoen maar ze moet niet te hoog van de toren blazen. Dus er is nog werk. Ik hoop dat de evolutie in stijgende lijn blijft gaan wat publieksbelangstelling betreft. Maar tegelijk is het ook moeilijk, want wielrennen heeft een heel lastig verdienmodel. Een wedstrijd organiseren is ontzettend omslachtig en duur. Je moet de openbare weg innemen, zoveel veiligheidsmaatregelen nemen, en je hebt geen ticketinkomsten. Je hebt de televisiekijkers echt nodig om de sport leefbaar te maken. Het is allemaal heel precair. Vrouwenploegen moeten sinds kort een minimumloon betalen, wat op zich heel goed is. Maar het geld moet wel ergens vandaan komen. Vrouwenploegen zijn veel kleiner, omdat er veel minder geld is. Mannenploegen kunnen bij wijze van spreken drie grote rondes tegelijkertijd rijden, want ze hebben renners genoeg in dienst. Dat is bij de vrouwen niet zo. De rensters hebben dus een behoorlijk volle kalender. Het is allemaal toch behoorlijk kwetsbaar. Hopelijk stort het kaartenhuisje niet in. Ik hoor mensen wel eens zeggen: “Ik kijk wel naar het mannenwielrennen, maar vrouwenwielrennen vind ik niet interessant.” Wat mij betreft zit er een Marsupilami op de fiets. Vorig jaar werd de Tour de France Femmes verloren met slechts een aantal seconden verschil, op de laatste dag. Dat was misschien wel de meest bloedstollende ontknoping van het decennium. Je kan niet zeggen dat het niet spannend is.
Ik heb zelf een boontje voor de niet-haantjes onder de coureurs, en ik hou niet van te veel patserij. Ik was fan van Thibaut Pinot. Misschien omwille van zijn geitjes en ezels. Hij is vorig jaar gestopt en heeft een boerderij vol dieren die vrij rondhuppelen, fantastisch om te zien. Waarschijnlijk heeft hij geld genoeg om te rentenieren en hoeft hij het niet te doen, maar hij loopt er gelukkig rond tussen de dieren.

Renners hoeven geen sterren of vedetten te zijn voor mij. Ik heb een zwak voor de wat timidere of aparte types. Misschien ben ik daarom iets meer kamp Vingegaard dan Pogaçar. Net omdat hij afwijkt van wat mensen beschouwen als een renner met star quality. Hij loopt rond in zijn Birkenstocks met kousen met een print van zijn dochter erop. Of iemand als Primoz Roglic die zich niets aantrekt van de fashionregels in het wielrennen en met behaarde benen of te korte sokken rondrijdt. Totaal niet cool maar whatever.
Lotte Kopecky is de enige die hier in mijn bureau hangt. Ik vind haar zo’n inspirerend en bijzonder persoon: haar koppigheid, de manier waarop ze alles zelf doet, zichzelf coacht en haar eigen weg kiest.
De maanden tijdens de winterstop vind ik vreselijk. De leegte van al die koersloze maanden. Wanneer er eind januari eindelijk terug wordt gekoerst is dat een soort opluchting. En op de ochtend van de Omloop huppel ik echt.
Ik doe niet mee met Tourmanager omdat ik mijn ploeg altijd vergeet aan te passen. Maar ik heb wel een ploeg op World Cycling Stats. Daar maak je één ploeg voor de hele ronde en na de start mag je er niet meer aankomen. Ondertussen ben ik al 5 wielrenners kwijtgeraakt in deze Tour. Dat is zoals het in de koers zelf gaat, daar mag je ook geen transfers doen en pech is pech. Ik maak deel uit van een pronostiekgroep van zo’n 240-tal mensen (Tour d’Ambiance) die pronostikeren voor het goede doel. In die groep zitten echte freaks die alles uitvlooien. Ze maken spreadsheets met welke jonge belofte er in januari al een keer een gelijkaardige rit heeft gewonnen in een of andere obscure ronde. Zover ga ik niet. Maar je gaat er de sport wel nog intensiever en alerter door volgen. We lachen al eens als er een commentator zegt: “Dat is nu toch wel een verrassende winnaar!” of “Daar heb ik nog nooit van gehoord.” Meestal hebben wij er wel al van gehoord en hebben velen die ene renner gewoon in de ploeg zitten. Hoe meer je het volgt, hoe boeiender de sport wordt, omdat je de personages beter kent.
Van voetbal wordt altijd gezegd dat het de belangrijkste bijzaak is van de wereld. Voor mij geldt dat zeker voor wielrennen, voor mij zonder twijfel de belangrijkste bijzaak ter wereld. De maanden tijdens de winterstop vind ik vreselijk. De leegte van al die koersloze maanden. Wanneer er eind januari eindelijk terug wordt gekoerst is dat een soort opluchting. En op de ochtend van de Omloop huppel ik echt.
Je raakt met de koers verweven door het zo lang te volgen. Het voelt alsof je al die coureurs ook echt kent, wat natuurlijk helemaal niet zo is. Het voelt wel een beetje als familie, met lievelingsneefjes en -nichtjes en nu en dan een vervelende nonkel die je niet graag hebt. Het is ondenkbaar dat ik plannen zou maken tijdens een belangrijke koers. In die zin is het schrijven een goed excuus, want ik kan er nog een professionele draai aan geven. Ook al zou ik anders ook niet zou buitenkomen op de dag van Parijs-Roubaix of de Strade Bianchi.
Ik kijk naar Biekes kaders boven het bureau, waar Lotte Kopecky hangt te pronken. Daarnaast zie ik kaartjes met getekende wielrenners, die uit het Tiny-tijdperk lijken te komen. We denken aan de stickers van voetballers die je nu nog kan verzamelen, maar weten niet of ze ook bestaan voor wielrenners. “Als die bij de chocolade zouden zitten”, zegt Bieke, “had ik een goede reden om nog meer chocolade te eten.”
